Het gebeurde gewoon bij de bakker op de hoek. Ik liet iemand voordringen zonder dat ik ingreep en suste mezelf met de gedachte dat de persoon in kwestie haast had en ik alle tijd. Terug naar huis lopend met een half volkoren bruin onder mijn arm gebeurde het. Ik voelde me in een ‘oud’ verhaal gekatapulteerd. Dat is op zichzelf niet zo vreemd, we leven immers in een zee van verhalen. Soms kan echter opeens een oud verhaal de kop opsteken. Eentje waarvan je het idee had dat je het allang achter je gelaten had, maar toch schijnbaar uit het niets, prominent aanwezig is. Geen vooraankondiging, geen signalen, nee pats boem zit je er ongewild tot over je oren in. De aanleiding was dit keer vrij triviaal, maar kennelijk maalt mijn reservoir van oude verhalen daar niet om; de doos van Pandora was wellicht toch niet zo goed gesloten als ik dacht of was ik er misschien onachtzaam tegen aan gelopen. Had een onvermoede windvlaag de doos op een kier gezet?
Hoe dan ook, in het verhaal was ik een jaar of 6, pardoes met de teletijdmachine van professor Barabas terug in de vijftiger jaren gezet in een situatie waarin velen zich zullen herkennen. Als 6-jarige werd ik buitengesloten, ik mocht niet meedoen, ik hoorde er niet bij. Ik kon me er niet tegen verzetten, toen…
Onwaarschijnlijk hoe helder de details van die gebeurtenis weer op mijn netvlies kwamen: de ruimte, de mensen van toen, maar ook de oude gevoelens, de verlammende angst, mijn verontwaardiging, ongeloof… Ik voelde het allemaal weer, ik zat er middenin en in het hier en nu was ik vol in verzet. Dit wilde ik helemaal niet, hier had ik niet om gevraagd. Zelfs het feit dat ik vanuit de huidige neurowetenschappen dit verhaal typisch als een impliciete herinnering kon duiden bracht me geen stap verder…Bovendien, dat het oude verhaal met alle toeters en bellen onvermoed de kop op stak was 1 ding, maar dat het bleef en zich zomaar met mijn huidige leven ging bemoeien, was echt een brug te ver. Als een langspeelplaat die in een groef bleef hangen begon de herinnering tegen me te praten, telkens maar weer hetzelfde riedeltje: “slapjanus, je laat over je lopen, je bijt niet van je af, je bent een zwakkeling, heb je geen rechte rug?” En het bleef, de hele dag door, als een spervuur telkens weer dat vileine stemmetje. Het verwarde me, putte me uit en ik had geen verweer. Ademen, meditatie, wat schrijven… niets hielp, en ik wist dat het maar een verhaal in mijn hoofd was, dat ik er niet vanaf, maar naartoe moest bewegen. Allemaal waar, maar ik wilde er toch vooral vanaf; weg ermee.
Zo leefde ik dus ongewild de hele dag in dit verhaal. En natuurlijk is het zo dat we in een ‘zee van verhalen’ leven. De hele dag door zijn die om ons heen; op de radio, in de krant, in het werk, in relaties. Continu vertellen we elkaar verhalen, we delen ze, groeien er in op, geloven ze en weten eigenlijk niet beter. Veel van de verhalen zijn universeel. We kennen ze allemaal; het verhaal van: “ik doe het niet goed genoeg, ik hoor er niet bij, ik voel me afgewezen, ik kom tekort etc.” Maar toch…
Op het einde van de middag ging ik met een goeie vriend vogels kijken bij de Reeuwijkse Plassen. Struinend met een verrekijker door het riet op zoek naar de middelste zaagbek eend die daar gesignaleerd was. Het zwarte water, de wolkenpartijen, de frisse wind, het geluid van wiekende ganzen, de vertrouwde blik van mijn vriend; dit allemaal deed iets met me. Alsof de vogels een andere stem in me riepen die bijna mededogend antwoord gaf op de inmiddels bekende afkeurende mantra in mijn hoofd. Deze nieuwe stem zei zacht:’ Ach, waartoe…?’ Dit doorbrak iets, haalde me uit mijn trance. Ik moest onwillekeurig denken aan een leraar van vroeger die me ooit vertelde dat je de keuze hebt wie je wilt zijn in je leven: Tanzan of Ekido
Twee zenmonniken, Tanzan en Ekido, lopen langs een landweg die door zware regenval erg modderig is geworden. Vlakbij een dorp ontmoeten ze een jonge vrouw die de weg probeert over te steken, maar de modderstroom is zo diep dat haar zijden kimono erdoor bedorven dreigt te worden. Tanzan neemt haar op in zijn armen en draagt haar naar de overkant van de weg.
De monniken lopen zwijgend verder.
Vijf uur later, als ze bij de tempel zijn aangekomen, kan Ekido zich niet langer inhouden: ‘Waarom heb je dat meisje over de weg gedragen? Dat soort dingen horen wij als monniken toch niet te doen?!”
‘Ik heb dat meisje uren geleden al neergezet, antwoordt Tanzan. ‘Draag jij haar nog steeds?’
De zaagbek heb ik die avond niet kunnen spotten, mijn vriend lukte het wel. Hem wel. Moeiteloos.